Schipbreuk - deel I

Het snerpende signaal lijkt tegelijkertijd met het licht de slaapkamer binnen te dringen. De scherpte doorboort de gedempte, onafgebroken regenbui van de voorbije nacht. Het desoriënteert haar en voor een moment weet ze niet waar ze is. Ze strekt haar ledematen voorzichtig en zet de alarmklok uit. Het flesje water dat naast het bed staat, blijkt niet opgewassen tegen haar plakkerige mond. Deze dorst gaat dieper; de lichaamsdroogte na een avond alcohol. Er zal meer nodig zijn dan een slok water om deze kater te overwinnen. Met een zucht draait ze zich om naar de man naast haar, bij deze beweging voelt ze elke spier in haar lichaam tegenspartelen. Banden licht vallen als traliewerk over zijn lichaam. Alsof het licht hem gevangen houdt. Hij houdt niet van regen dus hij zal het zo wel goed vinden. Ondanks het zonlicht en het alarm is haar echtgenoot nog diep in slaap, af en toe ontsnapt een snurk.

Ze wendt haar gezicht van hem af, ze wil nog even blijven liggen alleen met zichzelf in bed, voordat de realiteit zijn akelige tentakels rond haar hoofd zal wikkelen. Het lukt niet, het lichaam naast haar en de pijn in haar gezicht dringen meer en meer haar bewustzijn binnen, maken haar hersenen wakker. Ze trekt de lakens over haar gezicht en knijpt haar ogen stijfdicht. Gedachten over licht en stof sijpelen binnen en ze glijdt de plek tussen waak en slaap weer in.

Een schok trekt door haar lichaam, in paniek richt ze zich op. Ze weet dat ze bekeken wordt. De ogen van de man naast haar zijn nog steeds gesloten. Zijn gesnurk is te weerzinwekkend om onecht te zijn. Speurend naar de blik die ze op haar gericht voelt, kijkt ze de kamer rond.

Her en der ligt kleding verspreid over de houten vloer: Haar blouse, gescheurd aan de mouw, met kleine spatjes bloed, haar broek en T-shirt opgefrommeld naast het bed. De enige zitplaats in de kamer vormt het middelpunt van de ravage. Een mannenonderbroek en één sok sieren de armsteunen van de stoel. Op het zitvlak ziet ze een donkere vlek. (Bloed? Of zat die er al?) Plots begrijpt ze het, het is de fauteuil die haar aanstaart. Hij lijkt een bewustzijn te bezitten en wil zich vanonder de gebruikte onderbroek trekken en vluchten. Weg van de claustrofobische druk van die geliefkoosde ruimte en wat daar net plaatsvond.

Het is de mooiste kamer van het huis. Grote vensters trekken het licht naar binnen, en worden geflankeerd door delicate, doorschijnende, muurhoge gordijnen. Hier hangen haar schilderijen als angstvallig bewaarde schatten aan de muren en hier staan haar grote exotische planten op wacht ter bescherming van de slapers. De band met haar planten is ouder en gaat dieper dan die met haar mannen, omdat zij niets willen wat ze niet kan geven. Nu, als de deur van deze dierbare slaapkamer zou opengaan, zouden de planten samen met de stoel proberen ontsnappen aan de haat en de walging die hierbinnen opgepropt is.

Ze schrikt op uit haar overpeinzing. Ze voelt nood aan water, in haar en rond haar. Ze stapt over het mannenlichaam en sluit de badkamerdeur achter zich. Ze draait de kranen open, het geluid van stromend water kalmeert haar enigszins. Zittend op de badrand sluit ze haar ogen en het is alsof ze zelf wegstroomt, door de leidingen en riolen, naar een ander continent, een andere wereld. Hierdoor voelt ze opnieuw haar weerloosheid van vannacht. Ze kon zijn handen niet afhouden, zich niet verdedigen toen zijn vuist vol in haar gezicht neerkwam en hij haar kleding afrukte. Ze voelt weer de pijn die haar overweldigde toen hij haar benen uiteen wrikte en zo haar binnenkant tot zich nam. Mijmerend blijft ze even in het verleden tot het water over de badrand stroomt. Betrapt door het fysieke van het hier en nu, voelt ze eerst met haar teen of het water niet te heet is, het is te warm, maar ze laat zich toch in de badkuip zakken. Geschroeid wordt ze vloeibaar,  in het water is ze even veilig, voelt het huis weer als een thuis, geborgen. Water is moeder, dat leerde ze in haar opleiding psychologie. Aan haar moeder denken heeft eerder het averechtse effect. Geborgenheid is niet wat ze in die herinneringen vindt en zonder het echt te willen glipt ze een paar uren terug in de tijd.

Ze kwamen laat terug van een borrel met vrienden.  De taxichauffeur maakte al een laconieke opmerking over het dronken gebral van de echtgenoot, maar echt gebazel werd het pas toen de remmingen van de buitenwereld wegvielen. In de slaapkamer ontkleedde hij zich en stond een tijdlang met zijn gespierde vlezige rug en naakte billen naar haar gericht, de Brabançonne te zingen. De serenade was bestemd voor de al even naakte vrouw op het schilderij boven het bed. Toen hij op het idee kwam zijn sokken op het ritme van het deuntje uit te trekken, landde hij in een ludieke tuimeling met zijn lip tegen de rand van het bed. Geschrokken riep ze zijn naam en barste daarna in lachen uit: ‘Victor, wat doe je nou?’. Haar lachbui nam het over en het duurde een tijdje voor ze doorhad dat hij zich had omgedraaid en met ijskoud vuur in zijn ogen naar haar staarde. “VICTOR??”, brullend veegde hij het bloed van zijn gezicht. Hij zag eruit als een woeste stier, die tegen wil en dank naar de slachtbank wordt geleid, maar weigert zonder strijd zijn onzinnige leven op te geven. Door die aanblik voelde ze de lach opborrelen in haar buik en ze proestte het uit: “Prffpffffrrrp… Sssssorry, Hahahahans.” Nu rolde ze over de grond. Ze was alle controle kwijt, ze kon niet stoppen, ze wilde wel, maar iets anders had haar lichaam overgenomen. De hilariteit zat aan het roer en zou het schip niet meer verlaten. Hysterisch trokken de spieren in haar buik samen en ze voelde zich slap worden. De hand kwam als uit het niets. Hardhandig werd ze bij de haren omhoog getrokken en een stuk over de vloer gesleept. De fauteuil, haar fauteuil, was het offerblok.

Haar lichaam is ondertussen aangepast aan de watertemperatuur en ze draait de heetwaterkraan weer open. De vloeiende massa rond haar verzacht haar pijnlijke spieren. Welke wateren zou hij nu bevaren, haar zeeman? Onrealistische, romantische beelden van verre eilanden en woeste zeeën vullen haar hoofd. De badkuip voelt even als een schip waarmee ze de afstand tussen hem en haar zou kunnen overbruggen. Zes weken geleden namen ze afscheid op de kade. Het was druk in het dorp, het was maandag en de wekelijkse markt was op zijn hoogtepunt. Het was een innig afscheid, er werd gehuild, gekust en lieve woordjes werden oren ingefluisterd. Toen het schip de trossen loste, voelde ze een stuk van haarzelf met hem vertrekken. Het stuk dat zacht en kwetsbaar kon zijn, durfde zijn, werd uitgezwaaid door meeuwgekrijs. Ze bleef op de kade staan tot het schip niet meer te zien was. Toen ze zich omdraaide om terug naar het huis te keren, zag ze, in de mensenmassa rond het grote viskraam, Hans staan. Hij keek haar over zijn schouder slechts een ogenblik aan, maar de haat die ze toen in zijn ogen zag, vervulde haar met angst en medelijden.

Nu was de afstraffing waar ze al weken op zat te wachten dan toch gekomen. Het was haar eigen schuld. Ze was onoplettend geweest, normaal is hij zo mak als hij gedronken heeft. Ze liet haar verdediging voor wat het was, was niet op haar hoede geweest, na de gemoedelijke avond met vrienden. Ze had zelfs wat durven flirten met een van de aanwezige mannen en haar echtgenoot had hartelijk gelachen toen ze die vriend openlijk op de mond kuste. Door de aandacht en de drank had ze zich onoverwinnelijk gevoeld. Victor was ook geen geheim. Eigenlijk had Hans haar ertoe aangezet. Hij was het beu zich schuldig te voelen over zijn eigen avontuurtjes en vond dat zijn vrouw toch ook maar haar heil moest zoeken in een ander bed. ‘Leveling the playing field.’ had hij het olijk genoemd. Hij had haar zelfs voorgesteld aan hem, op de opening van haar eigen tentoonstelling. Victor leefde op het water, niet uit noodzaak maar voor het plezier. Hij erfde een grote som geld van een oom, dus niets wat hij deed moest echt. Als hobby verzamelde hij kunst. Hij had na een snelle (zelfs lichtelijk ongeïnteresseerde) blik op haar oeuvre, een blik op haar geworpen, haar hand genomen en deze vol overtuiging gekust. Gecharmeerd, maar afwachtend, was ze toen aan de affaire begonnen.

Sinds dat moment waren de buien van haar echtgenoot in intensiteit toegenomen. Soms was het de postbode die een pakje wilde afleveren toen ze net onder de douche stond, soms was het de blik in haar ogen als ze Victors naam zei, soms was het dat ze het laatste vanille yoghurtje had opgegeten of dat het pijpenstelen regende net als hij een rondje wilde gaan rennen. Dan sloeg hij haar met platte hand, zoals je een hond of een stout kind straft, uit frustratie, honger of ongemak. Maar nooit eerder had hij haar met zijn vuist in haar gezicht gestompt.

Ze rilt, de temperatuur in de badkamer is opmerkelijk kouder geworden dan daarnet. Staat er ergens een raam open? Zuchtend grijpt ze een handdoek van het rek en hijst zichzelf uit de badkuip, een te grote spreiding van haar benen vermijdend. Ze slaat de te kleine handdoek om haar middel en met lichte tred, in een poging hem niet wekken, opent ze de deur naar de slaapkamer. Het is haar meteen duidelijk dat Hans is opgestaan. Het bed is leeg, de lakens vertonen nog de afdruk van zijn nacht. Het grote dubbele raam staat wagenwijd open. De witte doorzichtige gordijnen waaien op als bolle zeilen, als de vleugels van een veel te logge vogel die perse vliegen wil maar met geen macht van de grond komt. Het briesje voelt kouder aan dan ze verwacht. Hans zal naar de bakker zijn, dat deed hij elke zondagochtend, al gebeurde het niet vaak na een dronken nacht. Ze draait zich om naar de keuken om koffie te zetten. Midden in haar beweging, stopt iets haar. Hans’ schoenen liggen nog steeds aan het voeteinde van het bed, waar hij gisteren zijn bevallige buiteling maakte. Kippenvel verspreidt zich over haar hele lichaam en ze trekt de handdoek steviger om zich heen. De koude doet haar naar het raam toe lopen om het te sluiten. Pas als ze naar buiten kijkt, voelt ze de spanning haar beurse lichaam verlaten. Het zal niet meer regenen vandaag.

 

Entr’acte

Ze glipt uit zijn armen de veiligheid van de golven in. De ruwheid van de ontsnapping is niet van tel, dat begrijpt hij, ze is thuis en dat is wat voor haar nu belangrijk is. Hij moppert in zichzelf en draait zich om naar het roer. Weer een dag nutteloos op zee. Hij verlangt naar de warmte van zijn huisje op het strand. Naar het licht van de vuurtoren, dat hem vaker uit zijn slaap houdt dan dat het schepen naar een veilige haven terug loodst. Huiverend richt hij zijn kompas en tuurt in de verte. Hij kan nu nog niet terugkeren, niet voor hij de mislukte vangst heeft rechtgezet. Hij heeft te veel medeleven, komt vaak thuis zonder vis. Tegen de mensen in het huisje zegt hij dat de kabeljauw te groot, te sterk is deze tijd van het jaar, maar hij weet beter. De laatste weken is het anders als hij zo’n vis uit het water trekt. Vaak zijn het de spartelaars, de vechters waarbij het gebeurt. Zijn spieren worden slap, zijn ogen worden blind, zijn oren worden gaten gevuld met watten alsof hij in een warm bad wordt ondergedompeld en hij voelt een vrijheidsdrang, een levenslust die hij nooit eerder ervaarde. Eens vis geworden, laat hij zijn vangst gaan. Dan moppert en scheldt hij, maar hij voelt zich stiekem opgelucht, dat hij niet de binnenkant van de kabeljauw moet leeghalen, niet de stront en het bloed moet ruiken, niet het licht in de vissenogen moet zien doven.

Het is laat, vertrouwde sterren verschijnen aan de hemel, in de verte wordt het vuurtorenlicht ontstoken. Hij zet koers naar zijn hongerige strandhuisje. Vanavond zal zijn vrouw aardappelen opscheppen, maar naast een gelukkig, compleet man in slaap vallen.

Schipbreuk - deel II

De boot vaart naar de oorsprong van alles, het begin van de wereld in een gapend ravijn. Het getij richt de boeg naar de heuvel, nauwelijks zichtbaar in de golven. De horizon lijkt in lijnen gegoten, het zwarte tapijt in de branding gooit de stuurman uit zijn koers. Groene bossen beplant met de zee. Natte baaien, nog nattere rivieren volgen elkaar op.

Hij krabt over de stoppels op zijn kin en al dat water duizelt hem voor een moment. Het gat lijkt gevaarlijk, toch trekt het hem aan. Een schuimgodin op wacht. Boven de schuit ziet hij de golven, woeste vlokken opspattende onstuimigheid. Blauw en kersenrood. Het doet zijn ogen pijn.

Zijn blik dwaalt naar de witte muur aan de overkant. Hij denkt aan zijn vrouw, die thuis op hem wacht. En de saaie dagen die zich aan elkaar opdringen, die onderling vechten om zijn aandacht. Waarom krijgt hij telkens hoofdpijn als hij aan zijn echtgenote denkt? Hij sluit zijn hand tot een vuist. Verder, dan toch maar verder.

Hij neemt een paar wankele stappen en twee figuren doemen voor hem op: Een harige man in extatische razernij, zo dichtbij dat hij zijn neusharen kan tellen, en een ongelukkige vrouw, worstelend in zijn grip, duwt wanhopig zijn erectie van haar af. Haar mond beantwoordt zijn razende blik met een krijgsbeet. De man is niet uit zijn concentratie te brengen (de top van zijn lid beroert reeds de vochtige opening), zijn erectie lijkt zelfs in causaal verband te staan met de tanden van het venusdier. De zeezieke toeschouwer huivert van afkeer en opwinding, door elkaar geschud door al die beweging in zijn onderbuik.

Het wansmakelijke tafereel herinnert hem aan iets dwingends, hij weet niet meer wat. De daad van de man lijkt zich te ontdubbelen in hemzelf. Hij wil zijn geheugen wegdrukken, niet de oorzaak zijn van zoveel pijn. Zijn gebalde vuisten zingen: Iets doen, iets doen, iets doen. Hij moet iets doen. Koortsachtig laat hij zijn blik dwalen over de muren van het museum, waar is de uitgang? Hij krijgt geen lucht, hij moet hier weg.

Dan valt zijn blik op haar zwarte haren, een moment van herkenning beneemt hem de adem… Zij is het. Ze huilt. Een afscheid lijkt het wel. Ze berijdt haar geliefde schrijlings met tranen in haar ogen. Een ogenblik, dan overal bloed; diezelfde rode kleur van overrijpe kersen. Wat doet die pijn aan zijn ogen. Voeten en handen in spasmen. Opengesperde ogen. Echtelijke wervelingen. Ja dat was het: Een paringszelfmoord tussen de gedichten van het hoofdkussen.

De geur van amandelen. Hij wordt rotshard en de donkere gelaatslijnen vervagen tot één zwart gat. Donker water vult het gat en hij verdrinkt.

***

De man die op 22 januari 2017 instortte in het Jubelparkmuseum tijdens een tentoonstelling over ukiyo-e (Japanse erotische prenten [1660-1850]), stierf ter plekke aan een hersenbloeding. In zijn vuist vonden de ambulanciers een kersepit. Hij liet geen familie achter.

© 2018 by Uschi Cop. Proudly created with Wix.com

  • Black Instagram Icon
  • w-facebook